Gepubliceerd in Inktpot 7

Naast mijn groots en meeslepend bestaan als Gevierd Striptekenaar houd ik er sinds enige tijd een bescheiden kantoorbaan op na. Natuurlijk niet omdat ik met tekenen niet in mijn onderhoud kan voorzien, maar omwille van de inspiratie die voortkomt uit het contact met 'de echte wereld'. Daarom werk ik van tijd tot tijd bij een bureau dat lezingen organiseert voor de Universiteit Utrecht.

Helaas zijn niet alle aspecten van het kantoorbestaan plezierig. Zo werd ik onlangs afgevaardigd naar de halfjaarlijkse marathonvergadering van het 'overlegorgaan' van vergelijkbare bureaus uit andere universiteitssteden. In een bedompte ruimte zat ik bijna een volle dag opgesloten met een dertigtal 'collega's'. Enkelen waren afgereisd uit exotische oorden als Limburg en Groningen, en vastbesloten om zoveel spreektijd op te eisen als zij meenden dat hun reistijd rechtvaardigde. Anderen probeerden om minstens zoveel aan het woord te zijn als hun collega's 'uit de provincie'. Niemand vroeg zich af of ook maar iets van het gezegde de moeite waard was.

Wanhopig liet ik mijn blik langs de troosteloze tafels glijden. Hoe werd ik geacht bij dit alles wakker te blijven?! Maar plotseling viel mijn oog op een afgevaardigde uit de industriestad E. "Wat een kop!" dacht ik bij mezelf. Ik ben dan wel niet 's werelds meest begenadigde karikaturist, maar dit kon gewoon niet mislukken. Voorzichtig pakte ik mijn tekenboekje. De man was een wandelende karikatuur. Ik hoefde slechts drie onderzoekende blikken te werpen en het portret was al voltooid. De gelijkenis was zo treffend dat ik mijn best moest doen niet in lachen uit te barsten.

Ik wilde mijn boekje alweer wegmoffelen, toen mijn aandacht getrokken werd door een jongeman ter rechterzijde van mijn eerste slachtoffer. Ook het gelaat van deze aanwezige bood tientallen aanknopingspunten voor een goedgelijkende afbeelding. Toevallig nam hij net het woord, zodat ik hem aandachtig kon bestuderen zonder argwaan te wekken. Al spoedig sierde ook zijn portret mijn boekje. Pas nu viel mij op dat de hele vergadering eigenlijk één groot rariteitenkabinet was. Zonder uitzondering waren de aanwezigen gestraft met de meest buitenissige neuzen, kapsels, kwabben, pukkels, blikken en tikken. Bovendien werden ze zo in beslag genomen door hun vergadering, dat niemand in de gaten had dat ik ze bespiedde en natekende.

Terwijl ik in het diepste geheim probeerde zoveel mogelijk aanwezigen in mijn boekje te vangen, discussieerden de deelnemers verbeten voort over de ene na de andere trivialiteit. Toen mijn werk na uren en uren bijna voltooid was, was het juist ook tijd voor het laatste agendapunt. Had ik misschien iets voor de rondvraag? Een gemompeld "nee" was mijn enige bijdrage aan de vergadering. De voorzitter ging het rondje af en kwam tot slot terecht bij de man die ik als eerste getekend had. Die wist de vergadering nog een laatste kwartier te rekken, toen leek aan de beproeving een einde te komen. Men wilde al opstaan toen hij plotseling met luide stem zei: "Oh, en dan nog één ding, kan Ype zijn boekje met karikaturen even rond laten gaan?"

Ype Driessen

Terug